« 1938: Tif | Hoofdmenu | 1938: Tondu »

7 april 2007

Parabel (Theosophia, 1938)

PARABEL
Krishnamurti*)
Theosophia, jrg. 46
Mei 1938, p. 176
NB Onder de tekst wordt als herkomst gegeven: Ster Bulletin, 1929

Voor lange tijd was er een man, wiens hart vervuld was van blijdschap om het leven. Hij beminde het Leven en had dus alle dingen lief.
Hij was de vriend van den geringste en van den hoogste.
Want is het Leven niet als het water, dat de dorst lest van wijzen en dwazen?
Zeer velen gingen tot dezen man wegens zijn inzicht in wijsheid.
Eens, toen de hemel blauw en de zon warm was, kwamen de mieren uit hun diepe nesten en trokken over het aanschijn der aarde, zoodat het voetpad zich met hen voortbewoog.

In zijn ver uitziende wijsheid zag de man, die het Leven liefhad, iemand wegzinken in het lachende, blauwe meer. Hij snelde over het voetpad, om hem uit het golvende water te redden en verpletterde daarbij tal van mieren.
De mensen stonden verward, want, zeiden zij: „Hoe kan deze man waarlijk het Leven liefhebben, wanneer hij het vernielt? Hoe dwaas zijn wij, bij hem te zoeken naar liefde."

Hij dwaalt eenzaam te midden der bergen.

Ach, hoe weinig hebben zij lief!

*) J. Krishnamurti, niet te verwarren met de onlangs overleden U.G. Krishnamurti http://www.well.com/~jct/

Reacties

Laat een reactie achter

Op deze weblog worden reacties gemodereerd. Hierdoor zullen reacties pas verschijnen als de auteur ze heeft goedgekeurd.